Home Artikelen Onderwijs

Print

Armen van Geest

Artikel informatie
Trefwoorden   Bergrede


Zalig de armen van geest - Mattheüs 5:3

In het evangelie van Mattheüs vinden we in het vijfde hoofdstuk de eerste toespraak van de Here Jezus. De toespraak start met de woorden

Zalig de armen van geest; want van hun is het Koninkrijk der hemelen.

Het boek Mattheüs is eigenlijk een handboek voor discipelschapstraining. Het is in de eerste plaats geschreven voor Joodse gelovigen[1] die vertrouwd waren met de beloften van de komst van Jezus in de Tora[2], de Psalmen en de Profeten (vergelijk Lucas 24:44). Mattheüs citeert daarom veelvuldig de boeken van het Eerste Testament. Voor een beter begrip van dit evangelie is het daarom van belang om de teksten die hij op het oog heeft in hun context te bestuderen[3].

Het evangelie van Mattheüs is het meest uitgebreide verslag van het leven en onderwijs van Jezus. Zo zijn bijvoorbeeld de kruiswoorden en het Onze Vader uitgebreider dan in de andere evangeliën.

Woorden en daden

Mattheüs heeft de uitspraken van Jezus verzameld in 5 redevoeringen. Deze toespraken worden 4 maal gevolgd door handelingen van Jezus. Zo wisselen woord en daad elkaar af in dit evangelie. Na de 5e redevoering (over de toekomst van het Koninkrijk) is er geen periode waarin Jezus handelt. Het handelen ligt nu niet langer bij Hem, maar bij ons, Zijn volgelingen.

Mattheüs 5 tot en met 7 worden ook wel de Bergrede genoemd omdat Jezus dat onderwijs op een berg gaf[4]. In Mattheüs 24 vinden wij een tweede Bergrede. Deze werd gegeven op de Olijfberg in Jeruzalem en handelt over het laatst der dagen en Jezus' terugkeer op aarde.

De Bergrede is bedoeld voor volgelingen van Jezus. Daarin vertelt Hij hoe zij het Koninkrijk van God[5] kunnen beërven en wat de levensstijl van het Koninkrijk inhoudt. [Christenen maken soms de fout om aan niet-christenen en jonge gelovigen regels van Gods Koninkrijk op te leggen of zelfs menselijke regels. Dit schrikt mensen vaak af.]

Het eerste deel van de Bergrede (Mattheüs 5:3-16) bestaat uit negen spreuken die telkens worden ingeleid met het woord zalig of in nieuwere vertalingen met gelukkig. Deze verzen worden daarom meestal de Zaligsprekingen genoemd. De 8e en de 9e Zaligspreking vormen een geheel[6].

Zaligsprekingen waren op zich niet iets nieuws. De oorsprong van de zaligsprekingen ligt in de Tora en de Psalmen[7]. Het laatste dat Mozes voor zijn dood tot de Israëlieten heeft gesproken was een zaligspreking (Deuteronomium 33:29). Het boek Psalmen begint met een zaligspreking (Psalm 1:1). Andere zaligsprekingen vinden we bijvoorbeeld in Psalm 2:12, 32:1, Spreuken 8:34, 14:21. In het Nieuwe Testament vinden we zaligsprekingen in Mattheüs 24:46, Lucas 7:23, 11:28, Johannes 20:29b, Romeinen 4:7, Jakobus 1:12, Openbaring 1:3, 16:15, 19:9, 20:6, 22:7 en 14. 

 


Zaligspreking de armen van geest


Mattheüs 5:3
(NBG)  Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
(GNB)  Gelukkig zij die zich arm weten voor God: voor hen is het hemelse Koninkrijk.
(NBV)  Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het Koninkrijk van de hemel.

De Here Jezus is in Galilea een berg[8] opgegaan en gaat dan zitten (Mattheüs 5:1 en 2). Joodse leraren zaten altijd bij het geven van onderwijs (vergelijk Lucas 4:20, 21, Lucas 5:3, Johannes 8:2 en Handelingen 16:13).

Makarios

Het eerste woord dat Jezus spreekt is: Zalig. Het Griekse woord is makarios (μακάριος). Het woord betekent: gelukkig te prijzen, opgetogen, genietend en vreugdevol. Het woord beschrijft mensen die geweldig goed in hun vel zitten en die uitermate gelukkig zijn.

Met dit woord verwezen de Grieken gewoonlijk naar de toestand waarin hun goden zich bevonden. Uitsluitend de goden en mensen die waren gestorven konden deze staat van gelukzaligheid en tevredenheid ervaren. Voor gewone stervelingen was de makarios echter niet weggelegd.

In de Zaligsprekingen laat Jezus zien dat er een vorm van geluk bestaat die niet voor iedereen bereikbaar is. Het is alleen voor mensen die in Hem zijn gestorven.

De armen van geest

Jezus zegt in vers 3: Zalig (gelukkig) zijn de armen van geest[9]. Het Griekse woord arm dat hier in Mattheüs en eveneens in Lucas 6 wordt gebruikt betekent letterlijk: arme sloeber[10]. Het woord werd gebruikt om arme bedelaars en de onderste laag van de maatschappij aan te duiden. Het waren mensen die in alle opzichten arm waren en nooit hadden gestudeerd. Iedereen keek op hen neer. Juist deze nietswaardige personen, die door anderen het liefst werden gemeden, prijst Jezus gelukkig.

Galileeërs

Hoe kan Jezus nu zoiets shockerends tegen Zijn discipelen zeggen? Daarvoor moeten we eerst nog iets anders begrijpen. De discipelen behoorden niet tot de rijken en aanzienlijken. Daarnaast kwamen zij, evenals de andere toehoorders, uit Galilea. Mensen uit dat gebied waren nu juist niet degenen die vaak werden geprezen. Integendeel, op mensen uit dit gebied werd vaak erg neergekeken, omdat ze niet tot de rijken behoorden en vaak geen goede opleiding hadden genoten. Bovendien volgden de discipelen ook nog eens een leraar die uit Nazaret afkomstig was, het Lutjebroek of Boerenstronkeradeel van Galilea (zie Johannes 1:46).

Bij de discipelen kwam er zelfs nog iets bij. Jezus had Zijn leerlingen opgedragen om niets mee te nemen onderweg, geen rugzak, geen voedsel en zelfs geen geld (Lucas 9:1-3, 22:35). Ze waren daardoor op dat moment letterlijk zo arm als een kerkrat. Maar juist over zulke mensen zegt Jezus dat ze zalig zijn te prijzen en dat ze het Koninkrijk van God zullen beërven! Daarmee plaatste Jezus hen in scherp contrast met de Farizeeën, die zeer geleerd waren en veel aanzien genoten. Met dit in het achterhoofd moeten we naar deze eerste Zaligsprekingen kijken.

Het hebben van de Geest

Nu spreekt Jezus specifiek over armen van geest. Wat wordt daarmee bedoeld? Vroeger dacht men nog wel eens aan hele eenvoudige mensen of aan heel nederige personen. Anderen dachten aan mensen met ernstige lichamelijke of geestelijke beperkingen.

Toen ruim 60 jaar geleden de Dode Zeerollen werden ontdekt, werd er opeens nieuw licht geworpen op dit vers. De Dode Zeerollen werden geschreven door de Essenen, een Joodse groepering die in grote armoede in de woestijn leefde. Zij spraken in hun geschriften over zichzelf in termen als arm van geest, arm van genade en arm van verlossing. Zij bedoelden daarmee dat ze weliswaar arm waren, gemeten naar de maatstaven van de wereld, maar dat ze wél de Heilige Geest bezaten, evenals Gods genade en verlossing. Hun rijkdom, kennis en aanzien waren niet van deze wereld, maar van God afkomstig.

Dit gold ook voor de discipelen, die naar de maatstaven van de wereld niets voorstelden, maar die rijk waren in God, doordat ze het eeuwige leven en de Heilige Geest hadden ontvangen. Dat maakte dat zij gelukkig waren te prijzen!

Jezus wil daarmee ook tegen ons zeggen dat wij niet langer onze identiteit, ons gezag of erkenning moeten afleiden van onze kennis, ons aanzien of ons bezit hier op aarde, maar uitsluitend van Gods Geest. Mensen die dit gaan begrijpen zijn niet alleen gezegend, maar beërven eveneens Gods Koninkrijk (Mattheüs 5:3). In Jacobus 2:5 wordt dit heel mooi weergegeven:

Hoort mijn geliefde broeders! Heeft God niet de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben?

Veel Christenen voelen zich zwak doordat ze niet kijken naar de volmacht die van Jezus komt, maar doordat ze telkens naar hun eigen gebrekkige inspanningen en tekortkomingen kijken.

Iemand die arm van geest is erkent dat hij in geen enkel opzicht voldoet aan Gods normen, maar dat hij volledig afhankelijk is van Gods genade. We kunnen Gods Koninkrijk onmogelijk binnengaan door onze eigen inspanning of kracht maar uitsluitend door Gods Geest (vergelijk Zacharia 4:6 en Openbaring 3;17). Wanneer we zo leren te leven zullen we ook Gods rust en vrede gaan ervaren.

Punten voor overdenking en persoonlijk gebed

1.  Ga voor jezelf na waar jij je geluk zoekt. In hoeverre spelen bezit, opleiding en erkenning daarin een rol? Ga voor jezelf biddend na in hoeverre je dingen verwacht van je eigen kennis en ervaring.

2. In hoeverre leid jij je identiteit af van je afkomst, de opleiding, je kennis en ga zo maar door?

3. Ga voor jezelf na in hoeverre je opziet naar anderen die meer in het leven hebben bereikt dan jijzelf.

4. In het dagelijks leven hebben we vaak een vaste groep vrienden, kennissen, collega's of studiegenoten om ons heen. In hoeverre sta je buiten deze contacten open voor anderen? Zijn er bepaalde mensen waarmee je liever niet of juist heel graag zou worden geassocieerd? Ga eens na hoe Jezus daarmee omging en kijk wat je van Hem op dit gebied kunt leren.

5. Vraag of Gods Geest de komende dagen belemmeringen aan het licht wil brengen die ervoor zorgen dat je Gods geluk niet kunt ervaren of waardoor je weinig van Gods kracht in je leven ziet. Bid en belijd daarbij regelmatig Jesaja 57:15.



Noten

[1]    Mattheüs en Johannes zijn in de eerste plaats voor Joden geschreven. Marcus en Lucas zijn vooral voor gelovigen uit de volken geschreven. Mattheüs is als enige boek in het Nieuwe Testament oorspronkelijk in het Hebreeuws (of Aramees) geschreven, maar deze tekst is verloren gegaan.

[2]    De Tora of wet van Mozes omvat de eerste vijf boeken van de Bijbel en wordt ook wel Pentateuch genoemd.

[3]    De meeste Bijbelvertalingen geven in kleine letters verwijsteksten aan. Het is goed om die op te zoeken.

[4]    De naam Bergrede is van de kerkvader Augustinus afkomstig. In Lucas 6 wordt door Jezus een soortgelijke rede gegeven. Deze wordt meestal de Dalrede of Veldrede genoemd.

[5]    Mattheüs noemt het Koninkrijk van God meestal het Koninkrijk der hemelen omdat Joden daarmee vertrouwd waren. Er is geen verschil tussen het Koninkrijk van God en het Koninkrijk der hemelen.

[6]    In Lucas 6 vinden we slechts 4 zaligsprekingen, maar daarnaast ook 4 weespreuken, die allen met het woord wee starten.

[7]    De Tora wordt door Joden minimaal driemaal per week voorgelezen. De Psalmen worden dagelijks door hen gebeden. Bijna alle Psalmen zijn terug te vinden in het Joodse gebedenboek, de Siddoer.

[8]    We weten niet welke berg het was waar Jezus onderwijs gaf. Het is echter opmerkelijk dat Mattheüs spreekt van de berg en niet van een berg. Daarmee wordt een verband gelegd met de Tora die op de berg Sinaï was gegeven. Mozes ontving de Tora op een berg en Jezus vaardigt Zijn wet uit op een berg. In de Tora wordt over 2 bergen gesproken die de berg of de berg des Heren worden genoemd. De eerste berg is Moria waar Abraham heen ging met Isaäk en waar later de tempel is gebouwd (Genesis 22:14, 2 Kronieken 3:1). De tweede berg is de Sinaï, waar Mozes de Tora ontving (Exodus 24:13, Numeri 10:33).

[9]    Daarbij zal Jezus ongetwijfeld ook Jesaja 61:1 in gedachten hebben gehad, waar over het doel van Jezus' komst wordt geprofeteerd. De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt dit vers als volgt: … Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden om aan verslagen harten hoop te bieden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan geketenden hun bevrijding, De Griekse vertaling van dit vers (in de Septuaginta) gebruikt hetzelfde Griekse woord dat in Mattheüs wordt gebruikt, het woord ptochos (πτωχός) Het Hebreeuwse woord arm in Jesaja 61 betekent naast arm ook ellendig, zwak, hulpbehoevend, laag of nederig.

[10]   Het Grieks kent twee woorden voor arm. Het ene (penes) betekent dat iemand niet rijk is en net genoeg verdient om de dag door te komen. Het andere (prochos) dat hier wordt gebruikt betekent dat iemand zoveel gebrek lijdt dat hij afhankelijk is van de steun van anderen.

 

 

© 2014 Peter en Vanessa Steffens
Joomla! is Free Software released under the GNU General Public License.